Maasziekenhuis Pantein Gang verpleegafdeling
  1. Home
  2. Behandeling & onderzoek
  3. Bloedtransfusie
Patiëntenfolder

Bloedtransfusie

Binnenkort ondergaat u een behandeling of ingreep, waarbij er een kans bestaat dat u bloed toegediend moet krijgen; een bloedtransfusie. In deze folder vindt u informatie over bloedtransfusie.

Waarom een bloedtransfusie?

leder jaar ontvangen zo’n 250.000 mensen in Nederlander een bloedtransfusie met rode bloedcellen, bloedplaatjes en/of plasma. Het betreft onder andere slachtoffers van ongevallen, patiënten die een (grote) operatie ondergaan en patiënten die voor kanker of (kwaadaardige) bloedziekten worden behandeld.

Bloedtransfusies worden door uw arts voorgeschreven als dat voor uw behandeling noodzakelijk is. Uw arts doet dit echter niet zonder uw toestemming, tenzij er sprake is van een acute situatie. Om u te helpen een weloverwogen keuze te maken, zal uw arts u vooraf duidelijk inlichten over:

  • De reden van de bloedtransfusie.
  • De risico’s die aan de bloedtransfusie verbonden zijn.
  • De risico’s die ontstaan wanneer u niet instemt met een bloedtransfusie.
  • Eventuele alternatieven voor de bloedtransfusie.
  • Of bij sommige ingrepen transfusie met uw eigen bloed mogelijk is.

Hoe veilig is een bloedtransfusie?

De kans op schadelijke gevolgen van een bloedtransfusie is klein, maar niet geheel uitgesloten. Om bloedtransfusies zo veilig mogelijk te maken, worden de volgende maatregelen genomen:

  • Alleen gezonde mensen kunnen bloeddonor worden.
  • Bloeddonors geven hun bloed vrijwillig en worden hiervoor niet betaald.
  • Al het donorbloed wordt onder andere getest op:
    o Een aantal soorten geelzuchtvirussen (hepatitis B, C en E).
    o Syfilis.
    o HIV, het virus dan aids kan veroorzaken.
  • Bloedplaatjes worden gecontroleerd op de aanwezigheid van bacteriën.
  • Uw eigen bloed wordt voorafgaand aan een bloedtransfusie gecontroleerd op de aanwezigheid van afweerstoffen die zouden kunnen reageren met het donorbloed.

Als blijkt dat het donorbloed mogelijk besmet is, wordt het vernietigd. Toch blijft er, ondanks alle voorzorgen, een zeer kleine kans bestaan op besmetting met een virus of ander micro-organisme door bloedtransfusie (zo is de kans dat een eenheid bloed besmet is met HIV kleiner dan 1 op een miljoen). Het kan zijn dat de bloeddonor nog maar kort geleden werd besmet. In het bloed kan de aanwezigheid van de ziekteverwekker dan nog niet worden aangetoond.

Ook is het mogelijk dat de hoeveelheid virus in het bloed zo gering is, dat het niet kan worden aangetoond met een bloedtest. Daarnaast is het mogelijk dat het ten tijde van de bloedtransfusie nog niet duidelijk is dat het bloed besmet is met een (langzaam groeiende) bacterie. Dit geldt met name voor bloedplaatjes die vanwege hun korte houdbaarheid binnen zeven dagen na de donatie worden toegediend.

Tevens kan het gebeuren dan er micro-organismen in het bloed zitten die we nog niet kennen of waarop niet getest wordt. Ook zijn er aandoeningen, zoals de variant ziekte van Creutzfeldt-Jakob, die mogelijk via transfusie kunnen worden overgedragen en waarvoor nog geen test bestaat.

Juiste match

Het is belangrijk dat het bloed dat iemand toegediend krijgt bij hem of haar ‘past’. Daarom nemen wij bloed bij u af om uw bloedgroep en Rhesusfactor vast te stellen en om te onderzoeken of er afweerstoffen tegen bloedcellen in uw bloed aanwezig zijn. Deze stoffen kunnen gevormd zijn na een zwangerschap of vroegere transfusie. Als dat het geval is, kan het langer duren voor er ‘passend’ bloed voor u wordt gevonden. Ook raadpleegt het transfusielaboratorium een landelijk registratiesysteem om te zien of er ooit eerder bij u afweerstoffen zijn gevonden.

Het is belangrijk dat er geen verwisselingen optreden. Uw zorgverlener dient u daarom bij alle stappen te vragen naar uw volledige naam en uw geboortedatum. Ten slotte zal de verpleegkundige vlak voordat u een bloedtransfusie krijgt nogmaals controleren of het bloedproduct inderdaad voor u bestemd is. Het bloed dat wordt toegediend hoeft niet per se dezelfde bloedgroep te zijn als die van de patiënt.

Bijwerkingen van de bloedtransfusie

Hoewel de risico’s van bloedtransfusie tot een minimum worden beperkt kunnen deze (ook bij een transfusie met uw eigen bloed) niet helemaal worden uitgesloten. Bij patiënten kan tijdens of na een bloedtransfusie een allergische reactie optreden. Zo’n reactie is te herkennen aan koorts, rillingen, galbulten, jeuk of een rode huid. Dit kan vaak eenvoudig met medicijnen worden behandeld.

Soms vormen patiënten na een bloedtransfusie afweerstoffen tegen de bloedcellen van sommige donors. Deze afweerstoffen kunnen bij een vervolgtransfusie een reactie geven met het donorbloed, waarbij uw lichaam het donorbloed afbreekt. Dit kan voorkomen worden door passend donorbloed te selecteren. Mochten zich afweerstoffen bij u hebben gevormd, dan krijgt u een transfusiekaartje met daarop de vermelding van dit gegeven. Dit kaartje moet u bij volgende bloedtransfusies altijd aan uw arts tonen. Omdat de mogelijkheid bestaat dat deze afweerstoffen na verloop van tijd niet meer aantoonbaar zijn, worden de gegevens meestal opgeslagen in een landelijk datasysteem. Bij een volgende transfusie kan het transfusielaboratorium dit datasysteem raadplegen en zo goed mogelijk passend bloed voor u uitzoeken.

Als u bezwaar heef tegen de registratie van uw gegevens in dit landelijke registratiesysteem, kunt u dit bij uw arts aangeven. Het ziekenhuis zal uw bezwaar in het dossier vastleggen.

Wanneer neemt u contact op met het ziekenhuis?

Als u binnen 24 uur na het toedienen van een bloedproduct één van deze bovenstaande bijwerkingen krijgt, neemt u dan direct contact op met het ziekenhuis.

  • Tijdens kantooruren belt u naar de polikliniek van de arts die de bloedtransfusie heeft voorgeschreven.
  • ’s Avonds en in het weekend neemt u contact op met de Spoed-eisende Hulp via telefoonnummer 0485-84 53 31.

Als u na 24 uur klachten krijgt, kan dit mogelijk een verlate reactie zijn op de transfusie. Deze kans is echter klein, daarom kunt u dan contact opnemen met uw huisarts.

Kan ik een bloedtransfusie weigeren?

Ja, dat kunt u. Bedenk daarbij wel dat er niet altijd andere mogelijkheden zijn. Bloedtransfusies zijn vaak levensreddend. Sommige operaties of behandelingen kunnen zelfs niet worden uitgevoerd zonder bloedtransfusie. Een bloedtransfusie weigeren betekent soms een groter risico voor uw gezondheid dan een bloedtransfusie ontvangen.

Bespreek uw twijfels over de bloedtransfusie tijdig met uw behandelend arts of de klinisch chemicus (transfusiedeskundige) van het laboratorium van het Maasziekenhuis.

Alternatieven voor bloedtransfusie

U kunt met uw behandelend arts of anesthesioloog overleggen of één van deze methoden voor u mogelijk is.

Een transfusie met uw eigen bloed

Als uw gezondheidstoestand het toelaat, kunt u in aanmerking komen voor een zogenaamde ‘autologe transfusie’. Dit houdt in dat u voorafgaande aan een operatie uw eigen bloed laat afnemen om dit bij de operatie weer terug te krijgen.

Om voor een autologe transfusie in aanmerking te komen, moet aan een aantal voorwaarden zijn voldaan. Uw lichamelijk conditie moet goed zijn, uw bloedvaten moeten geschikt zijn voor herhaalde bloedafnames en de tests op bloedoverdraagbare ziekten moeten over het algemeen negatief zijn. U wordt getest als normale bloeddonor. Ten slotte is het een vereiste dat de datum van de operatie ruim van tevoren vaststaat. Meer informatie over een autologe transfusie kunt u lezen in de folder ‘Bloed geven voor u zelf.

Bij sommige operaties met veel bloedverlies, zoals bij vaatoperaties, is het mogelijk dat het bloed dat uit de wond komt met een speciaal apparaat wordt opgezogen. Hierna wordt het bloed, na een bewerking, weer aan de patiënt teruggegeven.

Medicijnen die bloedaanmaak stimuleren

Bij een klein aantal (orthopedische) ingrepen kan van tevoren medicatie worden genomen die de bloedaanmaak bevordert.
Kunt u na een bloedtransfusie zelf bloeddonor worden of blijven?
Nee, na een bloedtransfusie met donorbloed kunt u geen bloeddonor worden of blijven. Dit heeft te maken met een voorzorgsmaatregel om zogenaamde ‘besmettingsketen tussen mensen’ voor de variant ziekte van Creutzfeldt-Jakob (een zeldzame hersenziekte) te voorkomen. Meer informatie kunt u vinden op www.sanquin.nl/bloed-geven/kan-ik-bloeddonor-worden/creutzfeld-jakob/.

Meer weten?

Heeft u na het lezen van deze folder nog vragen, neemt u dan contact op met het secretariaat van het laboratorium, telefoonnummer 0485-84 64 71 en vraagt u naar de klinisch chemicus, of neem contact op met uw behandelend specialist.

Tot slot

Als u bloed nodig heeft, dan is het er. Vanzelfsprekend. Help mee om dat vanzelfsprekend te houden. Spreek erover met mensen in uw omgeving. Iedereen tussen 18 en 70 jaar die gezond is, kan bloeddonor en/of plasmadonor zijn. Meer informatie kunt u krijgen bij de bloedbank in uw regio of via www.sanquin.nl/donor of via 0800-5115.


Colofon
De tekst in deze folder is gedeeltelijk afkomstig uit de folder van Stichting Sanquin, juni 2021, Sanquin, website www.sanquin.org

 

Juni 2021 – versie 5
LAB012

 

Specialismen